Conserveringstechnieken in de archeologie hebben tot doel om het degradatieproces van artefacten en ander vondstmateriaal te vertragen of te stoppen. Archeologische vondsten kunnen zowel voor, alsook na onderzoek geconserveerd worden, wat soms over en weer gevolgen kan hebben. Sommige onderzoeken kunnen bijvoorbeeld niet of minder goed worden gedaan als het bestudeerde materiaal reeds is geconserveerd, maar bepaalde vondstcategorieën zoals hout degraderen dermate snel dat deze snel geconserveerd dienen te worden nadat ze uit de grond zijn gehaald. Er zijn talloze verschillende conservatietechnieken, afhankelijk van het materiaal dat geconserveerd moet worden en de mate van degradatie. Archeologisch hout wordt bijvoorbeeld tot het moment van conserveren met water nat gehouden. Het wordt vervolgens geconserveerd door te impregneren met polyethyleenglycol (PEG), een soort was dat in het hout de plaats inneemt van het water.