Multidisciplinair onderzoek naar Nijmeegse (elite)graven
Lisette M. Kootker (Vrije Universiteit Amsterdam), Birgit Berk (Birgit Berk Fysische Antropologie) en Martijn van Haasteren (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Grafresten uit de 5e eeuw voor Christus uit de regio Nijmegen zijn (opnieuw) onderzocht, met interessant resultaat. Aangetroffen botmateriaal van de overledenen en daar meegegeven dierlijke resten geven inzicht in de begraafcultuur, de leeftijd en het biologische geslacht van de overledenen. Zo blijkt dat in de elitegraven zowel mannen als vrouwen zijn begraven met onder meer wapens als grafgift. De verbrande skeletresten van de overledenen zelf geven aanwijzingen over hun levensfasen: waren ze van lokale afkomst of brachten ze hun jeugd of latere leven elders door?
Onderzoeksmethoden
Isotopenonderzoek (strontium), fysische antropologie (onderzoek menselijke crematieresten), zoöaarcheologie/archeozoölogie (onderzoek dierlijke crematieresten)
Multidisciplinair onderzoek
Tussen 2021 en 2023 is er door een internationale groep archeologen en specialisten multidisciplinair onderzoek uitgevoerd naar een groep (elite)graven uit de 5e eeuw v. Chr. uit Nederland, Noord-België en de Duitse Neder-Rijnregio, waarbij thema’s als mobiliteit en veranderingen in graf- en materiële cultuur centraal stonden. De elitegraven met gecremeerd menselijk botmateriaal die voor dit project Chariots on Fire zijn geselecteerd, zijn bijzonder vanwege de aanwezigheid van bronzen vaatwerk, wapen- en paardentuig en in sommige gevallen zelfs de overblijfselen van een tweewielige strijdwagen. Er wordt gedacht dat deze graven een noordelijke uitloper zijn van een elitecultuur die zijn oorsprong vindt in Noord-Frankrijk en het Duitse Rijnland.[1]
Het collaboratieve samenspel van diverse disciplines binnen dit onderzoek opende deuren naar nieuwe inzichten over de roerige 5e eeuw v. Chr. Data werden intensief gedeeld binnen het team van onderzoekers (o.a. Vrije Universiteit Amsterdam, Birgit Berk Fysische Antropologie, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het gecremeerde dierlijk en menselijke botmateriaal in de elitegraven is fysisch antropologisch en archeozoölogisch onderzocht, en ook is er strontiumisotopenonderzoek (86Sr/86Sr) uitgevoerd naar de herkomst van de individuen.
Fysisch antropologisch onderzoek: Wie waren er begraven?
Om meer te weten te komen over de wie er in de (elite)graven begraven lagen, is fysisch antropologisch onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste onderzoeksvragen voor dit onderzoek waren: Wie lagen er in deze graven; betreffen het enkel- of meervoudige graven en wat is het biologisch geslacht van de overledenen? Zijn in de graven met wapens en elementen van strijdwagens daadwerkelijk mannen begraven? Wat was de sterfteleeftijd van de begraven individuen en zijn er tekenen van pathologie (ziekten) op de botten aanwezig? Tot slot is gekeken naar de aanwezigheid van dierlijk botmateriaal in de graven (als grafgift).
In dit project zijn een aantal graven (opnieuw) onderzocht: twee kleine crematiegrafveldjes van de opgravingen te Nijmegen-Kops Plateau[2] (6 graven), Nijmegen-Traianusplein[3] (5 graven) en een elitegraf uit de omgeving van Heumen-Hessenbergseweg. Bij de onderzochte graven van Nijmegen-Kops Plateau zijn in drie van de zes graven speer-/pijlpunten gevonden. In graf 72 lagen de meeste speerpunten (zes) en een zwaard. Deze graven worden door de aanwezigheid van deze grafgiften geïnterpreteerd als mannelijke elitegraven. Of dat een valide aanname is, is bij het fysisch antropologisch onderzoek onderzocht.
Bij het determineren van het verbrand menselijk botmateriaal van de opgraving Nijmegen-Kops Plateau zijn in zes graven de resten van minimaal zeven individuen gevonden. De meeste individuen waren oudere volwassenen (30-60 jaar), maar er is ook een jong kind bij in een meervoudige begraving met een mogelijk volwassen man (graf 72). Dit kind leidde gedurende zijn leven een langere periode aan een deficiëntieziekte, een aandoening die door een tekort aan voedingsstoffen wordt veroorzaakt als gevolg van ondervoeding of ziekte, wat tot blijvende veranderingen aan het bot heeft geleid (afbeelding 1). Bij de volwassen individuen zijn veel tekenen van infectieziekten en gewrichtsslijtage van de wervelkolom gevonden. Dit is niet opvallend; dit soort pathologie wordt erg vaak aangetroffen.
Bij fysisch antropologisch onderzoek van verbrande menselijk resten kan het biologisch geslacht vanwege de hoge fragmentatiegraad van de botresten bijna nooit met zekerheid worden bepaald. Desalniettemin konden bij het materiaal van Nijmegen-Kops Plateau de resten aan drie mogelijk vrouwelijke, twee mogelijk mannelijke en één individu van onbekend geslacht worden toegewezen. De graven met speer- of pijlpunten zijn aan een mogelijke man (graf 72), een individu van onbekend geslacht (graf 81) én een mogelijke vrouw (graf 79) toegeschreven. Dit geeft aan dat niet zomaar aangenomen kan worden dat de aanwezigheid van wapentuig uitsluitend met mannelijke individuen wordt geassocieerd, maar dat fysisch antropologisch onderzoek noodzakelijk is.
[1] Roymans et al. 2024.
[2] Roymans et al. 2024: paragraaf 7.14, 217-222.
[3] Roymans et al. 2024: hoofdstuk 4, 111-120.

In het grafveld bij Nijmegen-Traianusplein zijn in vijf graven zowel de resten van oudere mannen en vrouwen (30-60 jaar) als dat van twee kinderen (<18 jaar) aangetroffen. Bij dit grafveld zijn er vier graven zonder grafgiften aangetroffen. Bij het vijfde graf (graf 9) zijn speer- of pijlpunten en delen van een strijdwagen gevonden. Opvallend is dat het fysisch antropologische onderzoek ook hier wijst op een mogelijk vrouwelijk individu. Het betreft mogelijk een behoorlijk oude vrouw, van 50 tot 80 jaar oud. Wellicht was haar ouderdom (en daaraan gerelateerde status?) een reden om haar met deze bijgiften te begraven. Bij het meervoudige graf van een volwassene en een kind zijn op de botresten van beiden sporen van eenzelfde infectieziekte zijn aangetroffen.
In het opvallend rijke graf van Heumen, een graf met bronzen vaatwerk, aardewerk, een mes, een zwaard, vier speer- of pijlpunten en elementen van een strijdwagen, zijn de gecremeerde resten gevonden van een mogelijke man van 19 tot 35 jaar oud. Ondanks zijn jonge leeftijd vertoonden zijn wervels zeer veel tekenen van slijtage, wat mogelijk wijst op het uitvoeren van fysiek zwaar werk.
Dierlijk botmateriaal: elitaire bijgiften?
Gelijktijdig met de fysisch antropologische determinaties zijn de gecremeerde dierlijke resten onderzocht. Uit het onderzoek naar het materiaal van Nijmegen-Kops Plateau is duidelijk geworden dat alleen resten aanwezig zijn van jonge onvolgroeide middelgrote zoogdieren, zoals varkens en schapen of geiten. Deze dierlijke resten zijn geïnterpreteerd als voedselresten: van een rituele maaltijd of een grafgift. Er is geen verband gevonden tussen het geslacht van de gecremeerde personen en de meegegeven voedselresten.
Bij Nijmegen-Traianusplein zijn in het vrouwelijke en rijke graf 9 resten van varken gevonden. In het grafgiftloze graf 20 van een volwassene van onbekend geslacht zijn opmerkelijkere dierlijke resten gevonden. Het gaat hierbij om resten van het hoofd en de onderbenen (middenhands- of middenvoetsbenen en teenkoten) van een paard. De resten behoren vermoedelijk toe aan één individu; een veulen van 1 tot 2,5 jaar oud. Het is mogelijk dat het veulen is gevild, waarbij kop en onderbenen vaak aan de huid bevestigd bleven. De huid kan zo gebruikt zijn in het grafritueel.
Een meer aannemelijke interpretatie is dat het veulen (of een deel ervan als pars pro toto) vanwege symboliek is meegegeven.[4] In de Centraal-Europese en Scandinavische IJzertijd werd het paard bijvoorbeeld geassocieerd met elite en krijgers, en werd het dier gezien als bemiddelaar tussen de mens en de goden. De afwezigheid van overtuigend elitaire grafgiften zoals wapentuig en strijdwagens getuigt daarom niet per se van de afwezigheid van een elitaire status. Het archeozoölogisch onderzoek is daarom belangrijk om alle aspecten van (de bijgiften in) een crematiegraf te begrijpen.
In het graf van Heumen zijn resten van middelgroot zoogdier aangetroffen, maar hier gaat het niet (uitsluitend) om voedselresten. Drie van de negen fragmenten zijn namelijk gewei. Eén daarvan is afkomstig van een ree. Van de andere twee kon het soort hert niet meer achterhaald worden. Daarbij zijn deze fragmenten, afkomstig van ten minste één voorwerp, bewerkt (afbeelding 2). De functie van het voorwerp kon niet worden achterhaald, maar er kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een mesheft.
[4] Roymans et al. 2024: hoofdstuk 8, 251-271, met name 264-265.

Strontiumisotopenonderzoek op crematieresten?
Recente doorbraken in het archeologische isotopenonderzoek hebben de deur geopend naar fascinerende nieuwe ontdekkingen. Tegen alle verwachtingen in blijkt het nu mogelijk te zijn om strontiumisotopenonderzoek toe te passen op goed gecremeerde (gecalcineerde) botresten, zoals pijpbeenderen, ribben en het rotsbeen. Dit betekent dat een categorie menselijke resten die tot nog toe over het hoofd werd gezien – namelijk de crematies waarin meestal geen tanden bewaard zijn gebleven – plotseling een schat aan informatie kan opleveren over mobiliteit en de herkomst van onze prehistorische voorouders. Dit vormt een gigantische sprong voorwaarts in het onderzoek naar de bevolking uit de Brons- en IJzertijd in Nederland, aangezien crematie destijds de gebruikelijke begrafenispraktijk was voor de meerderheid van de mensen. Met deze nieuwe kennis is besloten binnen dit project voor de eerste keer in Nederland strontiumisotopenonderzoek op de crematieresten uit Nijmegen en Heumen toegepast om inzicht te krijgen in de mobiliteit en mogelijk de geologische herkomst van de individuen.
Bij strontiumisotopenonderzoek wordt gekeken naar de strontriumisotoopverhoudingen in verschillende skeletonderdelen, zoals het rotsbeen (gevormd op jonge leeftijd), dentine van kiezen, pijpbeenderen en ribben (afbeelding 3). De basis van strontiumisotopen is de bodem. Strontium zit in de ondergrond en komt via de planten die je eet, dus via het voedsel, en het water dat je drinkt in je lichaam terecht, in je haar, nagels en botmateriaal terecht, en ook in je kiezen. Deze strontiumisotoopverhoudingen zijn regionaal verschillend (er zijn kaarten met daarop de verschillende strontiumregio’s; de zogeheten isoscapes).[5] Door de waarden van het botmateriaal te vergelijken met die van de omgeving waar de resten zijn aangetroffen, kunnen aannames worden gedaan over de mobiliteit van de overledenen. De verschillende waarden in de verschillende skeletonderdelen in verschillende levensfasen zeggen wat over de herkomst van de mens, over de mobiliteit. In dit geval betekent dat: hebben deze mensen gereisd, en wanneer?
[5] Kootker et al. 2016.

Monstername bij crematieresten
De potentie van crematies voor mobiliteitsonderzoek is wel beperkt of anders, in vergelijking met die van inhumaties (begravingen) waarbij gebitselementen worden geanalyseerd. Bij crematieresten kunnen we voor het strontiumisotopenonderzoek gebruik maken van de relatief makkelijk te herkennen fragmenten van pijpbeen, rib, dentine en het rotsbeen. Omdat de 87Sr/86Sr van bijvoorbeeld pijpbeenderen een gemiddelde vertegenwoordigt van alle 87Sr/86Sr die in het voedsel aanwezig was in de vele jaren voor de dood, kunnen de gegevens niet worden gebruikt om de (exacte) herkomst van een individu te bepalen. De data bieden echter wel inzicht in mobiliteitspatronen gedurende het hele leven, omdat de hierboven genoemde elementen verschillende perioden in het leven representeren.
Door bij één individu meerdere botelementen te analyseren die tijdens het leven op verschillende snelheden hermodelleren (zichzelf vernieuwen), is het mogelijk om de isotopische samenstelling te onderzoeken die geassocieerd is met specifieke perioden tijdens de kindertijd (rotsbeen oftewel pars petrosa), de kinder/adolescente periode (dentine of tandwortels) en het latere leven (pijpbeenderen en ribben).
Ribben hermodelleren voortdurend vanwege de constante beweging geassocieerd met onze ademhaling. Daarom weerspiegelt de 87Sr/86Sr van ribben het gemiddelde 87Sr/86Sr dat via voedsel het lichaam binnen kwam gedurende de laatste circa 5 jaar van het leven. Pijpbeenderen hermodelleren met een veel lagere snelheid, hoewel dit afhankelijk is van leeftijd, monsterlocatie en algemene gezondheid. Over het algemeen zal de 87Sr/86Sr van bot uit het midden van de schacht van het dijbeen (femur) van een volwassene indicatief zijn voor de 87Sr/86Sr gedurende de laatste één tot drie decennia van het leven, afhankelijk van de leeftijd bij overlijden. Verschillen in 87Sr/86Sr tussen de verschillende botten zijn zodoende indicatief voor mobiliteit gedurende het leven.
Mobiliteit in de 5e eeuw v. Chr.
Tijdens het fysisch antropologisch onderzoek zijn van ieder individu monsters genomen voor het strontiumisotopenonderzoek. Deze zijn naar de Vrije Universiteit Amsterdam gestuurd voor analyse. Het isotopenonderzoek is uitgevoerd op zes individuen uit Nijmegen-Kops Plateau, vijf individuen en een paard uit Nijmegen-Traianusplein en het mogelijke mannelijke individu uit het elitegraf in Heumen (afbeelding 4). Indien de 87Sr/86Sr van de verschillende elementen vergelijkbaar zijn met elkaar, zoals bij graven 21 en 22 uit Nijmegen-Traianusplein, is er geen isotopisch bewijs dat de mensen mobiel zijn geweest gedurende het leven. Indien wel (grote) verschillen te zien zijn (bijvoorbeeld graf 81 uit Nijmegen-Kops Plateau), dan is er sprake van een veranderende (geologische) herkomst van het eten, wat in de archeologie vaak wordt geassocieerd met een verandering in ruimte (dus mobiliteit). Alle data die binnen de (stippel)lijnen vallen zijn vergelijkbaar met het verwachte regionale 87Sr/86Sr-signaal. De data die daarbuiten vallen zijn indicatief voor een herkomst van de overledene die potentieel verder buiten de regio Nijmegen ligt.
De resultaten van drie graven vereisen aanvullende uitleg: graven 20 en 9 van Traianusplein (met de overblijfselen van respectievelijk een volwassene en een 50- tot 80-jarige mogelijke vrouw), en de 30- tot 60-jarige mogelijke vrouw uit graf 79 van Kops Plateau die begraven was met wapens. De extreme verschillen in 87Sr/86Sr tussen de pijpbeen-, dentine- en ribelementen van graf 20 duiden op significante mobiliteit gedurende het hele leven. Opvallend genoeg zijn de 87Sr/86Sr van de rib- en dentinemonsters aanzienlijk hoger dan die van het pijpbeen. De 87Sr/86Sr van de rib is zelfs hoger dan de huidige maximale 87Sr/86Sr voor de Pleistocene bodems. Dit zou kunnen worden vertaald naar een mogelijke 'lokale' verblijfplaats in de eerste jaren van het leven en een 'buitenlandse' verblijfplaats gedurende de laatste jaren van het leven, maar met het grootste deel van de volwassenheid doorgebracht in regio's gekenmerkt door aanzienlijk lagere verhoudingen. De 87Sr/86Sr van de resten van het paard dat begraven was in hetzelfde graf weerspiegelen dat van het pijpbeen van het individu. Dat zou kunnen betekenen dat het paard van dezelfde plek afkomstig was als waar de vrouw het gros van haar leven heeft doorgebracht.
Dezelfde trend wordt waargenomen in vrouwelijke graven 9 (Traianusplein, aanwezigheid strijdwagen) en 79 (Kops Plateau). De 87Sr/86Sr van het pijpbeen- en de dentinemonsters van graf 9 komen overeen met de Pleistocene zandgronden die kenmerkend zijn voor het zuidelijke deel van de regio Nijmegen. De rib vertoont echter een significant hogere verhouding, waardoor vergelijkbare interpretaties mogelijk zijn als voor graf 20. De gecremeerde resten van de mogelijk vrouw uit graf 79 zijn bijgezet met drie speerpunten. Opnieuw is de 87Sr/86Sr van het pijpbeen vergelijkbaar met de regio Nijmegen, terwijl het ribmonster dat niet is. Een scenario of hypothese om dit patroon te verklaren, is dat deze twee mogelijke vrouwen aanvankelijk op de Pleistocene bodems leefden en enkele jaren voor hun dood in gebieden met hogere 87Sr/86Sr hebben doorgebracht. Ze kwamen ofwel kort voor hun dood terug naar de regio Nijmegen of stierven in het met hoge 87Sr/86Sr gekenmerkte gebied. Hun (gecremeerde) overblijfselen, of een selectie daarvan, werden vervolgens teruggebracht naar de oorspronkelijke regio voor begraving. Dit scenario zou kunnen wijzen op een specifieke sociale praktijk (pars pro toto), maar er zijn meer data nodig om deze hypothese te onderbouwen.

Kenniswinst
Een belangrijke conclusie uit het fysisch antropologisch onderzoek is dat waarschijnlijk niet uitsluitend mannen zijn begraven in deze elitegraven. Hoewel de meerderheid van de graven met wapentuig lijkt toe te behoren aan mannen, is er ook een graf met wapentuig waarin mogelijk een oude vrouw is begraven. Het is duidelijk dat er nog veel te ontdekken valt over de grafculturen uit het verleden, en het blijkt moeilijk te zijn om de achterliggende gedachten achter grafgiften en rituele deposities te doorgronden. Het strontiumisotopenonderzoek toont de potentie van isotopenanalyse op gecremeerde menselijke en dierlijke resten aan. De mensen waren mobiel, en enkele individuen hebben een deel van hun leven buiten de regio Nijmegen doorgebracht. Hoewel onomstotelijk bewijs voor een herkomst in Noord-Frankrijk of het Duitse Rijnland ontbreekt, is het wel evident dat het Nijmegen van de 5e eeuw voor Chr. een gebied was waar mensen uit verschillende hoeken naartoe zijn gekomen.
Aanbevelingen & tips
Wat de onderzoekers het meest is bijgebleven van dit project, is de multidisciplinariteit in combinatie met voortdurende groepscommunicatie. De specialisten hebben intensief samengewerkt en gediscussieerd op het grensgebied tussen hun vakgebieden. In tegenstelling tot de gebruikelijke praktijk waarbij specialisten op hun 'eigen eilandje' werken, was er hier sprake van nauwe samenwerking, wat als zeer positief is ervaren. Het menselijk en dierlijk botmateriaal is bijvoorbeeld gelijktijdig op dezelfde locatie gedetermineerd, waardoor twijfelgevallen direct besproken konden worden. Als er bijvoorbeeld dierlijk botmateriaal tussen het crematiemateriaal werd aangetroffen, kon dit direct tussen de betrokkenen worden besproken, waardoor duidelijk werd om welk dier en zelfs welk deel van het dier het ging. Tijdens het fysisch antropologisch onderzoek zijn ook direct monsters genomen voor het isotopenonderzoek. Doordat de communicatie tussen de specialisten optimaal verliep, kon de fysisch antropoloog de juiste botfragmenten selecteren op basis van grootte en verbrandingsgraad. Wij raden deze vorm van samenwerking aan voor ieder project waarbij isotopenonderzoek, fysisch antropologisch en archeozoölogisch onderzoek worden toegepast.
Informatie
- Kootker, L.M., R.J. van Lanen, H. Kars & G.R. Davies 2016, Strontium isoscapes in the Netherlands. Spatial variations in 87Sr/86Sr as a proxy for palaeomobility, Journal of Archaeological Science: Reports 6, 1-13.
- Roymans, N., L. Theunissen, L. Swinkels & S. van der Vaart-Verschoof (eds), Chariots on Fire, Reins of Power. Iron Age elite burials from the Lower Rhine-Meuse region and their European context, Leiden (Sidestone Press).