Gebruikssporenanalyse en experimentele archeologie brengen oude (schoonheids)gebruiken in beeld
Cynthia Kromotaroeno (CLSK Archeologie/ Universiteit Leiden)
In de vroegmiddeleeuwse handelsnederzettingen Oegstgeest (Merovingisch) en Dorestad (Karolingisch) zijn in de 19e eeuw talloze benen naalden gevonden in allerlei vormen en maten. Naalden worden vaak geassocieerd met textielbewerking, maar waarvoor en hoe de verschillende naalden daadwerkelijk gebruikt zijn, dat is een onderbelicht thema/vraagstuk. De onderzoeken die tot dusver wel zijn uitgevoerd, laten in elk geval verrassende resultaten zien.
Onderzoeksmethoden
Analyse Harde Organische Materialen, experimentele archeologie, gebruikssporenanalyse
Activiteiten van vergankelijke aard
Dat er in de vroegmiddeleeuwse riviernederzettingen Oegstgeest en Dorestad tal van activiteiten plaatsvonden is zeker, maar niet alle activiteiten komen even goed in beeld. Vooral activiteiten van een vergankelijke aard blijven niet goed bewaard, zoals het bewerken van plantaardig materiaal of alledaagse handelingen zoals (haar)verzorging. Niet alleen de activiteiten zelf, maar ook de organische materialen die bij de activiteit betrokken waren, zijn zeer vergankelijk. Een uitzondering hierop zijn de artefacten die gemaakt zijn van harde dierlijke materialen, zoals been en gewei. Zowel in Oegstgeest als in Dorestad is een ruime variatie van dit soort artefacten gevonden, die ꟷ onder een hoge vergroting ꟷ indirect meer inzicht kunnen geven in de (vergankelijke) activiteiten die in het verleden hebben plaatsgevonden.
Naalden, priemen, pinnen en hun functie
Een redelijk deel van het assemblage harde dierlijke resten van Oegstgeest en Dorestad bestaat uit puntige voorwerpen, zoals naalden, priemen en pinnen.[1] Benen artefacten worden gewoonlijk op basis van de typologie verbonden met een functie. Zo wordt een puntig voorwerp met een versierde kop getypeerd als een 'haarnaald' die gebruikt zou zijn om het haar op te steken. Een puntig voorwerp met een perforatie zou als ‘(naai)naald’ gebruikt zijn om bijvoorbeeld textiel mee te bewerken. En een puntig voorwerp zonder perforatie wordt vaak een ‘priem’ genoemd die gebruikt zou zijn in een draaiende en duwende beweging. De vraag is echter of onze hedendaagse classificering recht doet aan de complexe biografie (of levensloop) van benen artefacten, waar het gebruik een onderdeel van is. Hoe bepalen we in hoeverre onze aannames kloppen? En hebben we alle nuances in beeld?
In deze bijdrage wordt het onderzoek naar twee fragmenten van puntige benen artefacten toegelicht. Het eerste puntige artefact is afkomstig uit Oegstgeest en bestaat uit het middendeel van een naald waarbij de perforatie nog gedeeltelijk aanwezig is (zie afbeelding 1a).[2] Is dit inderdaad een naainaald die gebruikt is bij de textielbewerking? Van het tweede puntige artefact dat uit Dorestad komt, is alleen het onderste deel vanaf de punt bewaard gebleven (zie afbeelding 2a).[3] Op basis van vorm alleen kan dit fragment niet nader getypeerd worden. Is van dit artefact de functie nog te achterhalen? Deze bijdrage zet de mogelijkheden van gebruikssporenanalyse en experimentele archeologie in de spotlight om zo te laten zien hoe beide technieken bijdragen aan meer kennis over het dagelijks gebruik van voorwerpen in het verleden.
[1] Zie Kromotaroeno 2015; 2025a; collectie Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland; collectie Rijkmuseum voor Oudheden, Leiden.
[2] Zie Kromotaroeno 2015, 67-68; Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland, inv.nr. 406.
[3] Kromotaroeno 2025a, 115; Rijkmuseum voor Oudheden, Leiden, inv.nr. WD364.


Methoden
Bij gebruikssporenanalyse wordt het oppervlak van artefacten bekeken onder de stereomicroscoop (vergroting 7.5x tot 60x) en de metaalmicroscoop (vergroting 100x tot 200x) op slijtagesporen die ontstaan zijn door gebruik. Slijtage door gebruik uit zich in de vorm van glans, afronding en krassen op het oppervlak, die variëren afhankelijk van het materiaal waarmee het artefact in contact is gekomen en de activiteit waarbij het artefact betrokken was. Gebruikssporenanalyse is een methode die al decennia wordt toegepast op een breed scala aan materiaalsoorten, waaronder vuur- en natuursteen, metaal, aardewerk, schelpen, been, gewei, ivoor en tand.[1]
Experimentele archeologie wordt toegepast om de sporen die aangetroffen worden op een artefact te kunnen interpreteren. Bij experimentele archeologie wordt een hypothetisch gebruik getest onder gecontroleerde omstandigheden. Vervolgens wordt bekeken in hoeverre de sporen overeenkomen met die op het artefact. Overeenkomsten in de sporen kunnen vervolgens wijzen op eenzelfde contactmateriaal en/of gebruik.[2]
In de loop van de jaren zijn ruim 4.000 experimenten uitgevoerd in het Laboratorium voor Materiële Cultuurstudies aan de Faculteit Archeologie in Leiden. Deze experimenten vormen de referentiecollectie die onder meer gebruikt is bij de analyse van de benen artefacten van Oegstgeest en Dorestad. Indien sporen niet overeenkomen met de experimenten uit de collectie, dan worden nieuwe hypotheses getoetst aan de hand van nieuwe experimenten.
Bij dit onderzoek zijn deze methodes ingezet om te onderzoeken hoe de artefacten van Oegstgeest en Dorestad geproduceerd en gebruikt zijn.
Twee fragmenten onder de microscoop bekeken
Ondanks dat beide artefacten gefragmenteerd zijn, zijn de sporen op microscopisch niveau goed bewaard gebleven. Wat betreft de productiesporen zijn er aanzienlijke verschillen tussen het artefact van Oegstgeest en die van Dorestad. Op het fragment van Oegstgeest zijn productiesporen zichtbaar van het bewerken met een mes. Doordat het mes zo nu en dan over het oppervlak is weggegleden, zijn er haperingen van het mes zichtbaar in het bot.[3] Ook op het fragment van Dorestad zijn productiesporen van een mes zichtbaar. Daarnaast is dit fragment hier en daar bijgewerkt met een fijne vijl (zie afbeelding 2b). Onder een hogere vergroting valt op dat er verschillende soorten glans op het oppervlak aanwezig zijn. Dat is vooral zichtbaar bij depressies in het oppervlak. Mogelijk is de naald van Dorestad gepolijst in de laatste fase van de productie wat geresulteerd heeft in een hele heldere glans.[4]
Wat betreft de gebruikssporen, is op beide artefacten een gladde glans ontwikkeld die soms wat helder of vettig kan zijn. Op de naald van Oegstgeest zijn daarbij fijne, oppervlakkige krassen in de lengterichting ontstaan met hier en daar krassen in de breedterichting (zie afbeelding 1b).[5] Op het artefact van Dorestad zijn dezelfde soort krassen ontwikkeld in de lengterichting (zie afbeelding 2b).[6] Bij beide artefacten komen zowel de glans als het soort krassen overeen met de sporen op een experimentele haarnaald. Voor dat experiment is een benen naald gemaakt die vervolgens gedurende 120 minuten door droog haar is gestoken (zie afbeelding 3). Net als op de archeologische naalden is een gladde glans ontstaan op de naald, met soms een heldere of vettige glans. Daarbij zijn er fijne, ondiepe krassen aanwezig.[7]
Hoewel beide naalden gebruikt zijn in haar, zijn er wel grote verschillen door de keuzes die gemaakt zijn tijdens de productie. Waar de naald van Oegstgeest alleen met een mes is bewerkt, is die van Dorestad ook gepolijst tijdens de productie en bijgewerkt met een fijne vijl. De aandacht die besteed is in de productie van de Dorestad-naald vertaalt zich naar een relatief glad en effen oppervlak. Dit verschil heeft vermoedelijk te maken met de functie. De gladgepolijste punt van de haarnaald was mogelijk in het zicht. Daarbij zou het andere uiteinde ꟷ die verdwenen is ꟷ breder uiteen moeten lopen, zodat de naald niet uit het haar kon glijden.[8]
Bij de naald van Oegstgeest is daarentegen minder zorg besteed aan de afwerking. Bovendien is er een perforatie aanwezig in de naald, wat suggereert dat deze gebruikt is om ergens een draad doorheen te naaien. Mogelijk is de naald gebruikt om een haarnet vast te zetten, zoals bij een vondst in Feddersen Wierde (Duitsland) het geval is.[9] Een andere optie is dat de naald gebruikt is om het haar in model te naaien. Daarbij heeft de draad een vergelijkbare functie gehad als een hedendaags schuifspeldje.[10]
[1] Zie o.a. Van Gijn 1990.
[2] Zie o.a. Van Gijn 1990, 24-25; Buc 2011.
[3] Kromotaroeno 2015, 68-69.
[4] Kromotaroeno 2025a, 115.
[5] Kromotaroeno 2015, 71.
[6] Kromotaroeno 2025, 115.
[7] Kromotaroeno 2015, 27-28.
[8] Kromotaroeno 2025a, 119; 2025b; 2025c; Stephens 2008, 112, 115-116.
[9] Kromotaroeno 2015, 100; 2025b; 2025c; Struckmeyer 2011, 63.
[10] Kromotaroeno 2025b; 2025c; Stephens 2008, 112, 115-116.

Welke kennis leverde dit op?
Artefacten onder de microscoop bekijken, is alsof je door een hogeresolutielens naar het verleden kijkt. Het legt details bloot over gewoontes en keuzes uit het verleden, die anders wellicht niet aan het licht zouden komen. Bovenstaand onderzoek naar de twee benen artefacten heeft de volgende bijdrage opgeleverd:
Er zijn ook een aantal leermomenten en beperkingen verbonden aan het onderzoek, waaronder:
Aanbevelingen en tips
Doorgaans zijn bewerkte artefacten van been en gewei gebruikt in het verleden en zijn de sporen, mits niet overschreven door post-depositionele processen, geschikt voor gebruikssporenanalyse. Ook bij productieafval kunnen er werkranden aanwezig zijn, waarop glans en afronding aanwijzingen kunnen zijn van gebruik. Het is belangrijk om hiervan bewust te zijn, zowel van achter het bureau als in het veld.
Idealiter wordt de gebruikssporenanalist al vanaf een vroeg stadium betrokken in het archeologisch onderzoek. Daarbij wordt dit type onderzoek opgenomen in het van Eisen. Ook in het veld en bij de selectie van het materiaal is het advies van de gebruikssporenanalist van toegevoegde waarde, onder meer om te voorkomen dat sporen beschadigd raken tijdens of na het opgraven.
Zo zijn niet op alle benen naalden van Oegstgeest en Dorestad de sporen goed bewaard gebleven. Hoewel dit ook direct na gebruik of in de bodem kan zijn beschadigd, is een deel van de schade ontstaan tijdens het opgraven (denk aan het reinigen met tandenborstels, zeven en het gebruik van troffels) of tijdens de opslag (opbergen met vondstkaartjes in een zak).
Bij de selectie van het materiaal kan de gebruikssporenanalist bijdragen aan het herkennen van artefacten of afvalstukken die, haast zonder bewerking, wel degelijk gebruikt zijn. Een nauwe samenwerking tussen de archeoloog en de gebruikssporenanalist is dan ook onontbeerlijk, zowel in het veld als tijdens de uitwerking. Zoals bovenstaande voorbeelden laten zien, kan gebruikssporenanalyse bijdragen aan een veelzijdig beeld van het verleden, waarbij ook alledaagse zaken zoals haarverzorging en haardracht een plek kunnen krijgen binnen ons beeld van het verleden.
Informatie
- Buc, N. (2011) – Experimental Series and Use-wear in Bone Tools, Journal of Archaeological Science, 38, 3, p. 546-557.
- Kromotaroeno, C.L.S. (2015) – Osseous objects of Oegstgeest. A functional analysis of the bone and antler objects of the Early Medieval settlement of Oegstgeest (Nieuw-Rhijngeest Zuid), MSc thesis, Leiden University, Leiden, 197 p.
- Kromotaroeno, C.L.S. (2025a) – In short: Needles and what they tell us about Dorestad, in A. Willemsen, H. Kik (eds.), Dorestad and everything after. Ports, townscapes & travellers in Europe, 800-1100, Leiden, Sidestone Press (Papers on Archaeology of the Leiden Museum of Antiquities, 35. Palma), p. 109-114.
- Kromotaroeno, C.L.S. (2025b) – I Adorn You! A Deeper Dive Into Early Medieval Hair Care And Styling, in Leiden Medievalistsblog, Leiden University.
- Kromotaroeno, C.L.S. (2025c) – E RIHS Kennisdialoog 7 presentatie Cynthia Kromotaroeno. (https://www.youtube.com/watch?v=JgQv9OMaFkw)
- Stpehens, J. (2008) – Ancient Roman hairdressing: on (hair)pins and needles, Journal of Roman Archaeology, 21, p. 110-132.
- Struckmeyer, K. (2011) – Die Knochen- und Geweihgeräte der Feddersen Wierde. Gebrauchsspurenanalysen an Geräten von der Römischen Kaiserzeit bis zum Mittelalter und Ethnoarchäologische Vergleiche. Köthen: Druckhaus Köthen GmbH, 259 p.
- Van Gijn, A. L. (1990) – The Wear and Tear of Flint: Principles of Functional Analysis to Dutch Neolithic Assemblages, PhD thesis, Leiden University, Leiden, 182 p.